Wat moet je doen als er iemand overlijdt? Wanneer komt de uitvaartverzorger? En wanneer moet je beginnen met dingen regelen? Het zijn veel vragen waar je vaak pas mee te maken krijgt op het moment dat iemand overlijdt, maar het is goed om dit al te weten voordat het gebeurt.
Luister je liever?
Dat kan! Deze blog is ook te beluisteren in aflevering 3 van de podcast Voor Altijd Gekoesterd. Je luistert hem hier.
1. Verklaring van natuurlijk overlijden van de schouwarts
Op het moment dat iemand overlijdt, bel je als eerste de huisarts. Er komt dan een schouwarts om vast te stellen of het om een natuurlijke dood gaat. Pas daarna mag de uitvaartverzorger ingeschakeld worden. Vaak kun je al wel bellen, zodat we op de hoogte zijn, maar we mogen pas bij het lichaam komen als de schouwarts heeft verklaard dat het een natuurlijke dood was.
Op het moment dat je een uitvaartverzorger belt, start het hele traject rondom de uitvaart. Ook als het midden in de nacht is. Het is goed om je dat te realiseren, omdat juist die eerste momenten, vlak na het overlijden, heel speciaal kunnen zijn. Een (half)uurtje later bellen maakt dan ook echt niet uit, en die tijd mag je als nabestaanden samen nemen.
2. De verzorging van het lichaam door de uitvaartverzorger
Het is belangrijk om het lichaam zo snel mogelijk goed te verzorgen en te koelen. Hoe sneller de verzorging plaatsvindt, hoe langer iemand opgebaard kan zijn. Ik vind het belangrijk dat iemand gewassen wordt en dat het haar netjes wordt gedaan, zodat de overledene zijn of haar waardigheid behoudt.
Op het moment dat een nabestaande belt, vragen we gelijk of ze al weten hoe de overledene opgebaard mag worden en of er al kleding gekozen is. Dan kunnen we de kist meenemen en de kleding tijdens de verzorging aantrekken. Als nabestaanden mag je hierbij zijn of helpen, als je dat fijn vindt.
Mocht iemand in het ziekenhuis overlijden, dan neemt het ziekenhuis een deel van deze taken over, zoals het schouwen en het koelen. Het lichaam wordt dan in het mortuarium aan ons overgedragen.
3. De eerste wensen bespreken
Zodra de eerste verzorging van het lichaam gedaan is, gaan we de inhoud van het afscheid bespreken. We beginnen met de datum van het afscheid en het opstellen van de rouwkaart. Ook de locatie van de uitvaart, wel of geen condoleance, en of het een begrafenis of crematie is, worden dan besproken.
Tijdens zo’n eerste gesprek worden alleen de grote lijnen besproken en kijken we naar de wensen van de overledene. De details komen later, aangezien de schok vaak nog aanwezig is.
4. Het maken van de rouwkaart
Meestal kost het maken van de rouwkaart de meeste tijd tijdens dit eerste gesprek en een van de meest gestelde vragen tijdens het maken van de rouwkaart is “Wat zijn de regels?” Wie zet je wel of niet op de kaart? En in welke volgorde?
Er zijn geen vaste regels waaraan een rouwkaart aan moet voldoen. Dat maakt het soms ingewikkeld, bijvoorbeeld als er sprake is van een samengesteld gezin, nog levende ouders van de overledene, of als er juist geen contact meer is met ouders of kinderen.
Het zijn lastige keuzes waarbij ik als uitvaartverzorger wel kan adviseren, maar niet kan bepalen welke keuze iemand maakt. Voor sommige nabestaanden is het zoeken naar een balans die goed voelt en waarin mensen zich niet gepasseerd voelen.
5. De aanloop naar de dienst
In de aanloop naar de dienst worden de details verder vastgelegd en kom ik als uitvaartverzorger regelmatig even bij de familie langs. Bijvoorbeeld om de kaarten te brengen of om te controleren hoe iemand erbij ligt als hij of zij thuis opgebaard is. Het is voor mij ook heel belangrijk om de nabestaanden te vragen waar hun behoeften liggen.
6. De uitvaart als afsluiting
De periode waarin uitvaartverzorgers betrokken zijn eindigt met de dienst. Vaak bel ik twee weken later nog even om te vragen hoe het met iemand gaat en om te helpen met de dankkaarten. Daarna is het meestal klaar.
En ja, soms is het moeilijk om afscheid te nemen, omdat je een periode intens hebt meegeleefd met de familie. Dat is juist het mooie aan dit werk: dat je er echt voor iemand kunt zijn.